Inflatie, zo rond september is het een term die we vaak horen, maar ook gedurende de rest van het jaar komt deze (op de politieke agenda) regelmatig voorbij. Vaak in combinatie met de term koopkracht. En tijdens je jaarlijkse salarisverhoging heb je misschien wel eens ooit de term inflatiecorrectie voorbij horen komen. Maar wat is inflatie nu eigenlijk? Is het een modewoord, iets wat de politiek bedacht heeft of is het daadwerkelijk een economisch ding?

Wat is inflatie?

Als we de Van Dale erop naslaan, dan betekent inflatie dit:

waardevermindering van het geld, hetgeen leidt tot prijsstijgingen.

Heel letterlijk betekent het zelfs ‘opblazen’ en de term wordt ook gebruikt voor een algemene waardevermindering van iets, anders dan geld.

Maar hoe kan geld in waarde verminderen? Dat is dan eigenlijk de grote vraag. Nou, geld wordt minder waard als je met evenveel geld minder kunt kopen. Oftewel, als de goederen en diensten duurder worden. Maar als we het over dezelfde producten hebben, hoe komt het dan dat die duurder worden?

Daarover bestaan verschillende theorieën.

Keynesiaanse visie

De Keynesiaanse visie komt van de econoom John Maynard Keynes. Deze visie is vrij structuralistisch van aard en stelt de mens en zijn handelen als een belangrijke factor binnen de economie.

Volgens de volgers van Keynes kan inflatie op drie manieren ontstaan:

  1. Demand-pull inflatie: de vraag naar een product of dienst neemt toe, terwijl het aanbod gelijk blijft.
  2. Cost-push inflatie: de vraag blijft gelijk maar het aanbod neemt af. Denk aan de oliecrisis: de aanvoer van olie nam plots af waardoor de prijs omhoog ging.
  3. Adaptieve uitzonderingen: oplossingen om inflatie af te wentelen. Bijvoorbeeld inflatiecorrectie, hierover later meer.

Monetaristische visie

Het Monetarisme is een verzameling van denkbeelden over nationaal inkomen en economie van geld. De stroming richt zich op vraag en aanbod van geld, dit is de primaire economische activiteit en kan gebruikt worden om zaken te reguleren.

Vanuit deze visie gelooft men dat inflatie (of het tegenovergestelde deflatie) bestreden moet worden door de regulering van de geldhoeveelheid. De geldstroom wordt afgezet tegen de productiecapaciteit: M*V = P*T. Hierin staat M voor Money (geldhoeveelheid) en V voor Velocity (omloopsnelheid van geld), samen de monetaire economie. P staat voor Price (prijsniveau) en T voor Trade (nationaal product of binnenlands product), samen de reële economie. Als MV groeit en de productiecapaciteit nog niet gehaald is, kan T meestijgen. Er gebeurt dan nog niets met de prijs (P). Maar als MV blijft stijgen en T op zijn max zit, gaat P ook stijgen, en dan stijgt de prijs dus.

Oostenrijkse School

De Oostenrijkse School hangt de ideeën van Carl Menger en collega’s aan. Inflatie is volgens hen de toename van de geldhoeveelheid. De prijsstijging is het resultaat van deze toename in de geldhoeveelheid.

Deze laatste is de minst populaire theorie. In Nederland gaan we grotendeels uit van de eerste theorie, die van Keynes, over vraag en aanbod en dat dat de prijs bepaalt (en dus ook een eventuele inflatie of deflatie). Daarnaast wordt er een monetair beleid aangehouden om te proberen om de inflatie in toom te houden.

Soorten inflatie

Er zijn grofweg twee type inflatie te onderscheiden.

Kosteninflatie

Bij kosteninflatie verhogen bedrijven de prijs van hun producten verhogen om de hogere kosten van bijvoorbeeld grondstoffen aan de consument door te berekenen. Dit doen ze vooral om de winst op een acceptabel niveau te houden. In een markt die hevig concurreert kan dit nadelige gevolgen hebben voor de verkoop en dus uiteindelijk ook voor de winst, maar in een markt waar slechts enkele spelers zich bevinden, kan een groot bedrijf dit makkelijk doen. Zo’n bedrijf bepaalt dan het prijspeil als het ware, en andere bedrijven volgen dat voorbeeld. Zo wordt in een oligopolie de prijs, net als in een monopolie, soms kunstmatig hoog gehouden. Dit is zeker niet in het beste belang van de consument, maar elkaar kapot concurreren is ook niet goed voor de economie en diversiteit.

Een tweede component van kosteninflatie is die van loonkosteninflatie. Dit gebeurt als de loonkosten per product stijgen, en dit kan voorkomen als het loon van een werknemer harder stijgt dan zijn productie. Dan stijgt uiteindelijk ook de kostprijs van een artikel en als dat wordt doorberekend in de prijs dan spreek je wederom van kosteninflatie.

Ook als grondstoffen duurder worden vanwege schaarste, importkosten, stijgende wisselkoersen en dit wordt doorberekend in de prijs is dit een vorm van kosteninflatie.

Bestedingsinflatie

Deze tweede vorm van inflatie, de bestedingsinflatie, komt vooral voor als het goed gaat met de economie. Deze vorm is afgeleid van het Keynesaanse idee van vraag en aanbod. Bestedingsinflatie ontstaat namelijk als de vraag naar een bepaald product groter wordt (overbesteding) terwijl de bedrijven niet meer kunnen produceren. Als een bedrijf dan meer winst wil maken, kunnen ze de prijzen verhogen. Er is in deze situatie toch meer vraag dan dat ze kunnen leveren, dus er zal niet  minder om verkocht worden.

De (Centrale) Banken kunnen hierin een rol hebben. Als er een te grote geldstroom is, bijvoorbeeld door het simpelweg verstrekken van kredieten, kunnen mensen meer kopen. Als dan de productie maximaal is, kunnen de prijzen omhoog en is er sprake van bestedingsinflatie.

Berekening van inflatie

Inflatie wordt berekend aan de hand van de kosten van een bepaald ‘mandje’ aan producten in vergelijking met een jaar eerder. Als dat mandje producten duurder is geworden, spreek je van inflatie. Is het minder duur geworden, dan heet dat deflatie.

Dit mandje producten wordt in Nederland de consumentenprijsindex (CPI) genoemd. In de CPI zitten goederen en diensten die een gemiddeld gezin in Nederland koopt in een jaar. Denk aan voedingsmiddelen, consumptiemiddelen, huur, school- en collegegeld, energiekosten, onroerendzakenbelasting (OZB) en motorrijtuigenbelasting. De CPI voor door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) bijgehouden. Op dit moment is 2015 het 0-moment, oftewel, de prijzen toen zijn de 100% prijzen. Alle wijzigingen worden aan die prijzen getoetst.

Vanuit Europa is er ook een geharmoniseerde prijsindex (HICP), waarbij de prijzen onderling vergeleken kunnen worden.

Banken moeten ook betaald worden

Banken moeten ook betaald worden

Prijsinflatie, en nu?

Dat prijzen stijgen zijn we misschien inmiddels wel gewend. Zolang we meer loonsverhoging krijgen dan de inflatie is, hoor je genoeg mensen klagen maar wordt er ook nog genoeg gekocht. Toch is het zaak om inflatie wel enigszins te beperken. Een inflatie van 2 tot 3 procent per jaar wordt als gezond beschouwd.

Een lage inflatie, ook wel normaal genoemd, die onder de 2% zit, is goed voor de economie. Het spoort mensen aan om producten te kopen, ze worden namelijk wel langzaamaan duurder maar niet extreem. Ook leningen zijn bij een normale inflatie interessant, want de rente wordt zo steeds een beetje minder waard (oftewel, je krijgt meer waar voor je betaalde rente).

Bij een hoge inflatie gebeurt het tegenovergestelde: dit is niet gezond. Investeerders laten landen met een hoge inflatie vaak links liggen. Sparen is helemaal niet interessant, want als de spaarrente lager is dan de inflatie, is je geld uiteindelijk minder waard en kost het geld om het op een spaarrekening te laten staan. Beleggen en andere investeringen zullen dan interessanter worden. Klinkt vooralsnog niet heel verkeerd toch? Maar dat is het wel, het kan namelijk een compleet monetair systeem doen instorten. Mensen verliezen hun vertrouwen in het nationale geld, willen hun spaargeld opnemen, wat de banken niet helemaal op kunnen hoesten, en een crisis is compleet.

Hyperinflatie vindt plaats als er in korte tijd een enorme inflatie ontstaat, van soms wel tientallen tot duizenden procenten in enkele maanden tijd. Dit leidt eigenlijk onherroepelijk tot onvrede bij het publiek, impopulaire maatregelen van banken en regering en een economie die vrijwel altijd instort. Voorbeelden zijn er in de geschiedenis, een 20 jaar geleden in Argentinië bijvoorbeeld, waar de inflatie 3000% bereikte, de regering banksaldi bevroor en mensen in opstand kwamen omdat hun geld in no time niets meer waard was. Meer recent, in 2007, steeg de inflatie in Zimbabwe tot 10.000%. Later, in februari 2008 was dat maar liefst 66.000%. En nog een paar maanden later liepen de procenten officieel in de miljoenen, maar volgens wetenschappers in de miljarden.

Deflatie, de prijsdalingen, is overigens ook niet goed voor de economie. Mensen zullen aankopen uitstellen, omdat de prijzen dalen en ze zich niet bekocht willen voelen. Bovendien wordt je spaargeld, ook bij een lage spaarrente, meer waard, dus het loont om het geld weg te zetten.

Inflatiecorrectie

Het mag duidelijk zijn: een normale inflatie van 2 tot 3% is eigenlijk de meest gezonde situatie voor een economie. Er moet dus gezorgd worden dat dit niveau zo veel mogelijk gehaald wordt. Veel minder is niet goed, meer ook zeker niet.

Bedrijven kunnen, om de loonkosteninflatie te drukken, maatregelen nemen aangaande het loon. Of beter, aangaande de loonstijging. Dit betekent voor de werknemers minder loonsverhoging, en dat valt over het algemeen niet goed. Want als een werknemer minder loonsverhoging krijgt dan de inflatie stijgt, gaat hij er letterlijk op achteruit. De koopkracht van die werknemers daalt dan.

De Europese Centrale Bank heeft als een van de doelen de inflatie beperkt te houden. Het doel is deze rond de 2% te houden, dat wordt prijsstabiliteit genoemd. Dit kunnen ze doen door de geldstroom te vergroten, bijvoorbeeld door het verstrekken van leningen aantrekkelijker te maken, of juist niet, of rentepercentages aan te passen.

Ook overheden passen vaak inflatiecorrectie toe. Zo stijgt de belastingvrije voet elk jaar met ongeveer hetzelfde percentage als de inflatie. Ook in andere gevallen zie je dat bedragen voor belasting, toeslag etc. elk jaar aangepast worden, dit wordt ook indexering genoemd.

Inflatie, we kunnen niet zonder, maar moet je dat willen?

Inflatie hoort nu eenmaal bij een gezonde economie. Het werkt ook door, als grondstoffen duurder worden, worden halffabricaten dat ook, en het uiteindelijke product dus ook. Daarom gaan prijzen omhoog, en om dat te compenseren worden lonen regelmatig verhoogd (als het goed is). De loonkosten van een bedrijf stijgen dan, waardoor de kostprijs van een product stijgt, mits de medewerker niet meer gaat produceren in dezelfde tijd. En dan is het cirkeltje eigenlijk weer rond. Inflatie houdt zichzelf dus ook wel een beetje in stand. En dat is niet erg.

Zoals we hierboven al zagen, is een kleine inflatie nodig om te voorkomen dat de economie blijft draaien. Als er geen inflatie is, gaan mensen minder kopen. Dat klinkt paradoxaal en zou je alleen verwachten bij producten die duurder worden, maar het komt eigenlijk van iets wat we tegenwoordig kennen als Fear of Missing Out (FOMO): als ik het nu niet koop dan is het straks duurder (of het is er niet meer want er wordt niet voldoende van geproduceerd). Als er te weinig inflatie of zelfs deflatie is, is de noodzaak om NU te kopen er niet en gaan mensen geld oppotten. Het geld wordt tenslotte toch niet (of niet veel) minder waard. En dus hoort een beetje inflatie bij een economie zoals we die nu kennen en nodig hebben.